Kippen zijn huisdieren die zijn gefokt om eieren te leggen zonder dat er een haan aan te pas is gekomen.
Bekend is dat bij alle vogelsoorten het legsel waaruit een ei is weggenomen weer wordt aangevuld.
Gebeurt dit telkens opnieuw, dan zal de vrouwtjesvogel steeds weer eieren leggen.
Bij kippen is dit automatisme van lieverlee erfelijk geworden, zodat ook blijven leggen waneer de eieren niet regelmatig worden weggenomen.
Er zijn hennen die wel driehonderd eieren per jaar produceren.
Ze zijn bij wijze van spreken levende legbatterijen.
Het leggen is dus geheel los komen te staan van de voortplanting.
Alleen wie zelf een koppeltje kippen heeft dat door zijn haan wordt aangevoerd -of de eieren betrekt van zo'n harem - eet bevruchte eieren.
Niet dat dit iets uitmaakt. Zolang een bevrucht ei niet is bebroed, onderscheidt het zich niets van supermarkt eieren.
Het bloedvlekje dat men wel eens in eieren aantreft, heeft niets te maken met bevruchting.



Dergelijke puntjes bloed zijn afkomstig van de hen zelf.
Waneer haar ovarium - de eierstokken - zich klaarmaakt om een rijpe eicel los te laten, kan er een bloedvaatje knappen zodat er wat bloed binnen in het ei wordt verpakt.
Het eerste teken dat aanduidt dat een ei daadwerkelijk is bevrucht, is de ontwikkeling van een ragfijn netwerk van bloedvaatjes.
Die lopen over de hele dooier om er voedsel uit op te nemen voor het groeiende embryo.
Een ei is een uitzonderlijk verschijnsel: het is een van de grootste cellen die wij kennen.
Niet de dooier is dus de kern.
De dooier is dus beslist niet de eerste aanleg van het kuiken.
De eigelijke eicel is het kleine kloddertje eiwit dat bovenop de dooier drijft en dat we goed te zien kunnen krijgen waneer we een ei bakken.
De dooier wordt vrij laat in de ontwikkeling van het ei gevormd.
Een gedeelte ervan wordt door de eicel zelf gemaakt, maar verreweg het grootste gedeelte is afkomstig uit de lever van de hen.
Van daaruit wordt het via bloedvaten naar de plaats van besteming gebracht.



De dooier is een voedselreservoir.
Het kuiken heeft immers bouwstoffen nodig.
Door een buisje - de dooiersteel - vloeit dit voedsel uit de dooier naar de buik van het kuikentje.
De dooier wordt dus kleiner naarmate het kuiken groter wordt.
Omdat vogelembryo's geen verbinding met de moeder hebben via een navelstreng, hebben vogels geen echte navel maar wel degelijk een klein litteken waar de dooiersteel de buikwand binnekwam.
Het wit van het ei, dat pas wordt gevormd waneer de eicel met haar dooier de eileider passeert, heeft een tweeledige functie.
Het dient als schokdempende vloeistof en bovendien als waterreservoir.
Het kuikentje moet immers kunnen 'drinken'.
De schaal komt als allerlaatste tot stand.
Ze is zeer poreus, aangezien het zich ontwikkelende embryo moet kunnen ademhalen om zijn voedsel in energie om te zetten.
Er moet dus zuurstof in het ei komen, terwijl er koolzuur moet worden afgevoerd.


Haar poreusheid brengt echter met zich mee dat er ook water aan de schaal ontsnapt.
Daar om zinkt een in water gelegd vers ei en blijft een bebroed ei drijven, dat immers lichter is geworden door het waterverlies.
Dit waterverlies heeft ook tot gevolg dat er een met lucht gevulde ruimte in het ei onstaat.
Vlak voor het uitkomen steekt het kuiken zijn snaveltje in deze luchtkamer om met ademen te beginnen.
Dan is het nog slechts een kwestie van de schaal te doorbreken en aan het leven op aarde beginnen.



Terug - Verder

Voor nog meer KIPPEN druk op de Buttons...